T1 - Maatlat
Werkwijzer BRZO II
Inhoud pagina: T1 - Maatlat
Op de eerste Keizerskroonconferentie werd als knelpunt gesignaleerd dat de kritieke massa van uitvoerende partijen in een aantal gebieden onvoldoende zou zijn. Een inhoudelijk criterium om de benodigde kritieke massa te kunnen meten, ontbrak tot nu toe. Daarom is een maatlat ontwikkeld om te kritieke massa van organisaties te kunnen beoordelen en de kwaliteit van uitvoerende Brzo-overheidsorganisaties te kunnen meten. Overigens worden met deze maatlat alleen specialistische uitvoeringstaken Brzo 1999 gemeten, niet de coördinatie- en één-lokettaken.
De maatlat omvat criteria voor de kwaliteit van medewerkers en van organisaties waaraan ten minste voldaan moet zijn om de Brzo-taken adequaat te kunnen uitvoeren. De focus van deze maatlat ligt op de kritieke massa. Onder kritieke massa wordt verstaan de minimaal benodigde deskundigheid van medewerkers en de borging daarvan door de organisatie. Met organisatie wordt gedoeld op een groep mensen die de Brzo-taken uitvoeren.
De maatlat is daarmee geen indicator voor de modale organisatie, maar een minimum waaraan ten minste zal moeten worden voldaan. Als niet wordt voldaan aan één van de criteria van de maatlat, zal adequate uitvoering van Brzo-taken niet mogelijk zijn.
De maatlat berust op drie dimensies:
- deskundigheid voortvloeiende uit de wettelijke taken en de daarbij behorende taakopvatting;
- externe factoren;
- organisatorische borging.
Schema: Voorbeeld organisatorische inbedding uitvoering Brzo 1999
Maatlat gebaseerd op primaire taken Brzo 1999
Tot de primaire taken zijn gerekend: beoordelingen, inspecties en handhaving in de zin van het toezicht op de naleving van de Brzo-eisen. Buiten beschouwing blijven de secundaire taken die voortvloeien uit de beleidsvorming en het zijn van coördinerend bevoegd gezag, evenals taken voortvloeiend uit andere wet- en regelgeving.
In de praktijk is de uitvoering van de Brzo-taken ingebed in uitvoering van de taken voortvloeiend uit de Wet milieubeheer, Arbeidsomstandighedenwet, Wet veiligheidsregio's. Deze maatlat beperkt zich tot de uitvoering van de Brzo-taken. Een voorbeeld van de organisatorische inbedding van uitvoering van de Brzo-taken is in schema 1 gegeven. De maatlat schrijft niet de organisatievorm voor. De coördinatietaak die het Brzo 1999 verlangt is niet meegenomen bij de bepaling van de kritieke massa. Coördinatie blijkt in de praktijk veel tijd te vergen en doet dus een capaciteitsberoep op de organisatie, maar is niet bepalend voor de kritieke massa
Brzo 1999 en gerelateerde wetgeving
Het Brzo 1999 heeft relaties met andere besluiten en wetten. De uitvoering van de Brzo-taken wordt in de praktijk gecombineerd met de uitvoering van taken gebaseerd op andere besluiten en wetten. De plaats van de Arbeidsinspectie, milieudiensten en veiligheidsregio's in de uitvoering van het Brzo 1999 verschillen van elkaar. De Arbeidsinspectie heeft een specifieke organisatie (MHC) die gericht is op de uitvoering van de Brzo-taken. Voor het bg Wabo en de veiligheidsregio geldt dit niet. De Wet veiligheidsregio's vormt het kader voor de v van waaruit hun betrokkenheid bij de uitvoering van de Brzo-taken plaatsvindt. Hoewel bij de uitvoering van Brzo-taken door de Brandweer andere regelgevingstaken worden meegenomen, is de maatlat gebaseerd op de artikelen van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Het voordeel van deze afbakening is overzichtelijkheid en eenduidigheid. Het nadeel is dat de taakuitvoering en rolopvatting van de brandweer binnen de maatlat niet volledig is gedekt, hetgeen tot uiting komt in de beschrijving van de vereiste deskundigheid voor de Brzo-taken. Het effect op de bepaling van de kritieke massa is evenwel gering. De taakuitvoering en rolopvatting van de brandweer leidt niet tot een andere kritieke massa.
De uitvoering van de taken ter voorbereiding op de bestrijding van zware ongevallen of rampen berust op de Wet veiligheidsregio's. Het Besluit informatie inzake rampen en crises (Birzo) gebaseerd op de Wet veiligheidsregio's verwijzen naar het Brzo 1999. De Wet veiligheidsregio's verwijst naar het Brzo 1999 om een bijzondere categorie van bedrijven aan te duiden waarop regels van toepassing zijn aangaande de bedrijfsbrandweer. Bij de uitvoering van de Brzo-taken is de betrokkenheid van de brandweer gericht op de aspecten: beperking, beheersing en bestrijding van de effecten bij ongevallen en rampen.
Schema: Bepaling kritieke massa organisatie op drie dimensies

1. Benodigde deskundigheid
Drie deskundigheidsgebieden zijn noodzakelijk. Specialisten met kennis van en praktijkervaring met:
- technische processen (productie en opslag) en procesbeveiliging (preventie en effectbeheersing);
- risicomanagement, risicomanagementinstrumenten en veiligheidsbeheerssystemen (VBS-en);
- auditten van: veiligheidsrapport (VR), VBS en Preventiebeleid Zware Ongevallen (PBZO).
Bij de bepaling van de kritieke massa van de organisatie is uitgegaan van aanwezigheid/beschikbaarheid van de dienstspecifieke kennis en deskundigheid van het bg Wabo, de Arbeidsinspectie en de Veiligheidsregio.
Eis vooropleiding vanuit diversiteit van Brzo-bedrijven gezien, als basis voor specialistische kennis/praktijkervaring en vaardigheden:
- technisch georiënteerde HBO-opleiding (bijvoorbeeld chemische technologie of werktuigbouwkunde) teneinde de technische procesvoering met gevaarlijke stoffen (productie en/of opslag) te kunnen begrijpen;
- HBO-opleiding technische bedrijfskunde of opleiding/training in managementsystemen en organisatiekunde teneinde organisatorische bedrijfsprocessen gericht op VBS te kunnen begrijpen of met voorgaande gelijkwaardige bedrijfskundige ervaring;
- opleiding tot auditor.
NB: Vooropleiding voor dienstspecifieke kennis/deskundigheid wordt aanwezig verondersteld en is geen onderdeel van de maatlat.
2. Externe factoren
De externe factor ‘aard Brzo-bedrijf’ bepaalt in welke mate aanvullende kennis en ervaring nodig zijn naast de vooropleidingseis. Aard Brzo-bedrijf betreft complexiteit van technische processen en organisatie.
Tabel: Aard Brzo-bedrijf en aanvullende eisen benodigde kennis en ervaring
AARD BRZO-BEDRIJF | AANVULLENDE KENNIS EN ERVARING |
|---|---|
Minst complexe technische processen en organisatie |
|
Meer complexere technische processen en organisatie Voorbeelden: suikerraffinage, formulering gewasbeschermingsmiddelen, mengen van stoffen, sommige afvalverwerkende bedrijven |
|
Meest complexe technische processen en organisaties Voorbeelden: petrochemie, farmaceutische en kunstmestfabrieken, kunstvezels en plastics |
|
3. Organisatorische borging
De uitvoering van de Brzo-taken dient organisatorisch te zijn geborgd. Dit houdt in dat de vereiste kennis en ervaring aanwezig is, op peil blijft en inzetbaarheid is geborgd. De factoren die voor de kritieke massa van belang zijn betreffen:
- borging van continuïteit beschikbare kennis en ervaring;
- borging van opleiding.
Continuïteit beschikbare kennis en ervaring
Minimumeis aantal specialisten:
- twee specialisten die voldoen aan: de deskundigheids- en opleidingseis, ten minste twee jaar ervaring hebben in uitvoering Brzo-taken, met kennis van de Awb;
- één auditor die voldoet aan: algemene ervaring van vier jaar met bedrijven met gevaarlijke stoffen, twee jaar ervaring op gebied van safety-, milieu- of kwaliteitsmanagement (kan verenigd zijn in specialist);
- één medewerker als specialist/auditor in opleiding.
Minimum aantal uit te voeren audits:
- voor op peil houden auditervaring zijn ten minste twee à drie volledige audits per jaar vereist; een volledige audit omvat minimaal twee dagen on-site-inspectie bij Brzo-bedrijf.
Borging opleiding
- auditoropleiding: 40 uur auditortraining, opleidingsprogramma NIM;
- opleidingseis tot auditor tien volledige audits binnen een periode van drie jaar.
Benodigd aantal Brzo-bedrijven in portefeuille
- voor op peil houden kennis en ervaring twee à drie Brzo-bedrijven die jaarlijks worden geaudit;
- voor op peil houden opleidingsmogelijkheid vier Brzo-bedrijven die jaarlijks worden geaudit.
De Maatlat bestaat uit de criteria voor de kwaliteit van inspecteurs en van organisaties waaraan ten minste voldaan moet zijn om de Brzo-taken adequaat te kunnen uitvoeren.
Het Besluit risico's zware ongevallen 1999 is de Nederlandse implementatie van de Europese SevesoII-richtlijn. Het Brzo 1999 integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding in één juridisch kader. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het Brzo 1999 stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. Daarnaast wordt in het besluit de wijze geregeld waarop de overheid daarop moet toezien.
Het VBS is het onderdeel van het VMS dat dient ter uitvoering en ter vaststelling van het PBZO.
Een rapport als bedoeld in artikel 10 van het Brzo 1999.
Het beleid dat op basis van het Brzo 1999 moet worden gevoerd en dat ten dienste staat van het voorkomen van zware ongevallen en van de beperking van de gevolgen daarvan.
Een Brzo-bedrijf kan een VR-bedrijf of een PBZO-bedrijf zijn. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die voor dat bedrijf vergund zijn.

